De hoogte dwong ons niet te lang in de mijnstad te blijven. Het verblijf in Potosí sloot naadloos aan op de vierdaagse trip in de bergen rond de Salar de Uyuni. Het laagste punt in een week lag op ongeveer 3500 meter. Een licht gevoel in het hoofd, druk op de longen, misselijkheid en gebrek aan eetlust en fut zijn de gevolgen dus besloten we naar de aanzienlijk lager gelegen (2800 meter) officiële hoofdstad van Bolivia, Sucre te vertrekken. Een mooi tripje met typisch Boliviaanse trekjes. In dit land kan het namelijk gebeuren dat je halverwege de reis in een kleine file terecht komt. De weg blijkt afgezet door politieagenten met hun auto´s. Wat zou er aan de hand zijn, zo vraag je je af. Zou de weg verzakt zijn? Zou er een protestmars plaats vinden? Is de politie ontsnapte criminelen op het spoor? Het is opvallend hoe onverschillig onze Boliviaanse reisgenoten de velden en tuinen opzoeken voor een sanitaire
stop of een hapje gaan eten in de plaatselijke cafetaria. Wij Hollanders kunnen onze nieuwsgierigheid niet onderdrukken. Ik besluit op één der politieagenten af te stappen, hem een vraag te stellen en de Spaans-Boliviaanse waterval over me heen te laten komen in de hoop er iets van te begrijpen. Na een minuut of twee knik ik instemmend naar de agent, liegend dat ik hem volledig begrepen heb. Nog herkauwend op de schijnbaar ontvangen informatie loop ik naar Wies. "Het lijkt er het meest op dat hij me vertelde dat er een wielrenwedstrijd gaande is hier op de weg", zeg ik haar ongelovig.
Even later klinkt er gefluit en gejoel en steekt een man een rode vlag omhoog. Uit de verte komt een fietser aan. Vlak voor de wegblokkade keert hij om en fietst de andere kant weer op, achtervolgd door concurrenten. Er is kennelijk een belangrijke wedstrijd gaande, een wedstrijd waarvan niemand in de file op de hoogte was. Als de laatste fietser omgekeerd is, komt de rij vrachtwagens, auto´s en bussen weer in beweging, direct achter de arme rode lantaarn aan. Wie de wedstrijd gewonnen heeft, is ons onbekend. Aangekomen in Sucre is geen van de wielrenners nog te bekennen.
Sucre is de mooiste stad die wij tot op heden aandeden tijdens onze reis. De Spanjaarden
beschouwden ´de witte stad´ als hoofdstad van een gebied dat zich uitstrekte van Peru tot Argentinië. Het stadscentrum staat terecht op de werelderfgoedlijst van Unesco. Dat is maar goed ook, want anders was er nooit voldoende geld
vrijgekomen om het oneindige aantal prachtige, koloniale gebouwen te onderhouden. De stad heeft een heerlijk klimaat en ligt temidden van glooiende, groene bergen. De hoofdpijn verdwijnt er, fut en eetlust keren er terug en misselijkheid neemt afscheid.
Zo mooi en statig als de binnenstad van Sucre is, zoveel menselijk leed is er ook te zien. Op weinig plekken wordt je zo met je neus op die akelige feiten gedrukt als in ´rijke´ steden als Sucre. Toeristen en reizigers zoals wij zien het liefst de pracht en praal rond het centrale plein. De hoger
gelegen wijken worden gemeden en zijn gereserveerd voor de arme bewoners. Die sloebers laten zich wel in het stadscentrum zien. In het centrale park lijdt dat tot schrijnende situaties.
Op zondagen lijkt het wel alsof alle inwoners van de stad naar het park trekken (dat bleek ons ook al in de Argentijnse steden die wij op die dag bezochten). Er moet vermaakt worden. Kinderen worden rondgereden in rare aanhangwagens, clowns, vuurspuwers en andere artiesten verblijden een enorme schare aanbidders, vaders rijden met zoontjes en dochtertjes op kleine gemotoriseerde voertuigen. Iedereen heeft lol. Iedereen behalve die jongetjes bij de autoscootertjes. Die arme kinderen moeten werken. Zij helpen andere kindertjes, leeftijdsgenootjes in het gelukkige bezit van ouders met een klein beetje geld, vooruit komen op hun motortjes en skeltertjes. Zondag is voor hen de dag waarop de verschillen duidelijk worden.
No comments:
Post a Comment