Thursday, May 31, 2007

Wereldwonder

Er zijn van die dingen waar je zo lang naar uitkijkt, waarover je zoveel goeds gehoord hebt, dat je, als het moment nadert, bang bent dat het tegen zal vallen. Machu Picchu is er zo één. De ruïnestad stond al zoveel jaren op het verlanglijstje. Wij kunnen iedereen gerust stellen. Het is nog veel mooier dan je ooit verwacht had. De ligging tussen de groene bergen, op een klein plateau met aan alle kanten reusachtige afgronden, de omvang van de spookstad, de kwaliteit van de ruïnes, alles is even adembenemend. Toen wij Machu Picchu (letterlijk Oude Berg, de echte naam van de stad is nooit gevonden) bezochten, steeg er een dichte mist op uit de dalen, die de toch al mystieke plek alleen maar wonderbaarlijker maakte.












De bekendste manier om Machu Picchu te bereiken is via een vierdaagse trek over dé Inca Trail. In feite zijn er tientallen Incatrails die naar de heilige stad leiden. Dat moet een fantastische ervaring zijn, maar er kleven ook nadelen aan. De kosten bijvoorbeeld (400 dollar), maar vooral de drukte. Dagelijks lopen er 400 mensen in een groot lint naar de ruïnes. Wie de tocht wil maken, moet maanden van tevoren reserveren. Wij besloten daarom een alternatieve route te nemen, via de jungle. De eerste dag hebben we geen stap gezet. Na een busreis door de Heilige Vallei, langs verschillende andere Incaruïnes en over een prachtige pas, begon het avontuur op ruim 4000 meter hoogte. Per fiets (een erg bouwvallige, waarop niemand zijn kind naar beneden zou laten rijden) stortten wij ons de diepte in om uren later in het dorpje Santa Maria te arriveren. Laat daar nu net een mooi feest aan de gang zijn. Het echte Peru. Naast een groot, aangekleed kruis waar alle feestgangers stil zijn, een kaarsje branden en een gebedje doen, speelt een band luide dansmuziek. Het is dan onmogelijk je niet te laten verleiden tot een dans met de plaatselijke bewoners, in een grote kring. Heerlijk.
Na de korte nacht begint de echte wandeling, die door de hitte erg taai is, maar één van de mooiste die wij ooit maakten. Delen van het parcours gaan over een andere Incatrail, fantastisch aangelegd tegen de bergwanden. Beneden je de kolkende rivier, in de verte besneeuwde toppen en aan het eind het toetje: vanuit het dal zijn de terrassen van Machu Picchu te zien. Een waar hoogtepunt. Na nog een dag lopen, een niet al te opwindende avond karaoke, een kort nachtje slapen en een slopende tocht over Incatrappen steil omhoog (ik kreeg het zo heet dat er letterlijk een rookwolk van dampen om me heen ontstond. Hoe Wies het allemaal zo makkelijk doet mag Joost weten. Het zal wel iets met gewicht te maken hebben...) is daar het beloofde land. Machu Picchu. Het is een plek waar spontaan je mond open valt. De extreem slecht Engels sprekende, maar o zo veel wetende gids Miguel maakt de belevenis nog mooier. Zonder iets aan kennis is zo´n ruïne niet meer dan veel op elkaar gestapelde stenen. De heilige tempels, de huizen van verschillende verdiepingen, de landbouwterrassen op het steilst van de berg, de gebouwen bovenop de van de postkaarten bekende berg tegen de stad aan, het grote plein waar feesten werden gehouden. Het kost niet veel inlevingsvermogen om hierin een levende stade te zien.


Toen de Spanjaarden in sneltreinvaart het Incarijk opslurpten en via de Heilige Vallei (tussen Cuzco en Machu Picchu) dichter en dichter bij de heilige stad tussen de wolken kwamen, besloten de Inca´s haar te verlaten. Waarom weet niemand zeker, maar de meest gehoorde theorie is dat ze de stad wilden verbergen om destructie te voorkomen. Een handjevol mensen bleef achter om de cultuut te bewaren. Planten en struiken werden over de vanuit de vallei zichtbare terrassen gelegd, de Incatrails naar boven werden afgedekt. Het plan werkte. De Spanjaarden hebben Machu Picchu nooit gezien. Pas in 1901 werd de stad ´herontdekt´ door boeren, op zoek naar landbouwgrond. Het verwijderen van de begroeiing duurde vele jaren, maar het resultaat is daar. Machu Picchu dingt mee naar een notering in de nieuwe lijst van zeven wereldwonderen. Onze stemmen hebben ze.

De navel


De navel van de wereld. Dat is de letterlijke vertaling van Qosqo, de plaats die beter bekend is als Cuzco. Lopend door de stad is het niet moeilijk het idee te kijgen dat dit een belangrijke plek is. Sinds de Spanjaarden er in 1533 voet zetten is Cuzco vooral een prachtige koloniale stad, met schitterende witte huizen met blauwe balkonnetjes en een schijnbaar eindeloze hoeveelheid kerken rond de kathedraal. Qosqo is de oudste nog steeds bewoonde stad aan deze kant van de Atlantische oceaan, maar daarvan is niet veel meer te zien. Hier en daar zijn nog muren te zien die de Inca´s bouwden. De stenen passen als kleine wondertjs in elkaar. De geleerden zijn er nog steeds niet over uit hoe de Inca´s dat voor elkaar kregen. Zij bouwden de stad in de vorm van een enome Poema, één van hun heilige dieren, met het vlakbij gelegen heiligdom Saqsaywaman als staartpunt.










De hoofdstad van de Inca´s is verwoest door de veroveraars. De kathedralen en kerken zijn zelfs gebouwd met stenen afkomstig van de verschillende heiligdommen die rond Cuzco in de Heilige Vallei liggen. De dom is gebouwd op de belangrijkste plek van de Inca´s, daar waar hun paleis stond. De Spanjaarden vermoordden niet alleen de mensen, maar probeerden een hele beschaving van de kaart te vegen.

Gelukkig is dat niet helemaal gelukt. In de Heilige Vallei zijn talloze ruïnes overgebleven van het mysterieuze volk, dat het wiel noch het schrift kenden, maar wel elf miljoen mensen in een gebied van Colombia tot halverwege Chili wist te besturen. De architectuur blijft verbazingwekkend, net als de aanleg van de duizenden kilometers aan wegen dwars door de jungle en over de Andes. Wie door Cuzco loopt, voelt dat dit een bijzondere stad is. Het is ook wat ons betreft de mooiste stad die wij tot nu toe aandeden. De pleinen, gebouwen en straatjes rond het centrum zijn allemaal even mooi. ´s Nachts lichten de bergen rondom, waar ook gebouwd is, prachtig op onder de sterrenhemel, die voor de Inca´s dezelfde was.

Thursday, May 24, 2007

Titicaca


Waarom eigenlijk naar Zuid-Amerika? Vooral omdat het continent wat mij betreft altijd omgeven was met raadselen. De inca´s bijvoorbeeld, de mysterieuze bouwwerken, het uitgestrekte Amazonegebied, de Andes. Veel van die mystiek kwam bij elkaar in één naam: Titicaca. Ik kan me herinneren dat ik als jongen die naam maar bleef herhalen in mijn hoofd (deels misschien omdat het twee vieze woorden achter elkaar zijn). Om dan het reusachtige meer in het echt te zien, is meer dan een cadeautje. Het hoogste bevaarbare meer ter wereld (ca. 4000 meter) ligt fantastisch temidden van twee bergruggen. Aan de ene kant de gigantische witte toppen van de Andes, aan de andere de haast even mooie en evenzeer hoge groene bergen. Het diepblauwe, kraakheldere water van het meer er tussenin. Het Titicacameer vormt de grens tussen Bolivia en Peru. Middenin het water liggen verschillende eilanden en eilandjes, waarvan het Boliviaanse Isla del Sol historisch gezien het belangrijkst is. De Inca´s geloofden dat hun belangrijkste goden en de zon zelf er geboren zijn. Op het eiland ligt een geweldig Incapad, dat de voetganger in drie uur van de ene naar de andere punt brengt, onderweg ruïnes passerend. Dat is bijna even lang als de boot er over doet om van de kustplaats Copacabana (niet zo opwindend als de naam doet vermoeden) naar Isla del Sol te varen. Vooral omdat het een veel te grote boot is die het met een klein buitenboordmotortje moet doen. De Holland-acht zou geen enkele moeite hebben de boot in te halen.
Een rondgang op Isla del Sol betekent een reis in de tijd. Terug in de tijd wel te verstaan. Het wiel is er nog niet uitgevonden. Geen auto, motor, fiets, zelfs geen kar te bekennen. Alles gaat te voet en per lama en ezel. De eilandbewoners dragen de typische klederdracht van de Andes, de vrouwen met de vele rokken, de gitzwarte vlechten en het overbekende bolhoedje. Een nachtelijk verblijf op het eiland is magisch. Er heerst stilte, die af en toe alleen wordt onderbroken door het gebalk van een ezel of twee. Titicaca maakt zijn faam waar. Zelfs na het zien ervan blijft het mysterie behouden.






Saturday, May 19, 2007

Flipper






Bergen, zee, woestijnen, meren, bossen en graslanden hadden wij reeds gezien. Wat echt nog miste was de jungle. Het Amazonegebied dus, dat meer dan de helft van Zuid-Amerika beslaat. Sinds een paar uur zijn we weer in la Paz, na een weekje in de regenwouden. Het verblijf was in alle opzichten de moeite waard. Natuurlijk, we zijn helemaal lekgeprikt. Het leek wel of de muggen niets liever ruiken dan het anti-insectenmiddel dat we bij ons hadden. Toch zullen het vooral de grotere beesten zijn die in onze herinnering blijven. De aligators, waarnaar we ´s nachts op zoek gingen bijvoorbeeld. De ogen van de beesten kleuren fel geel in het licht van een zaklamp. Ze zijn van grote afstand al te zien. Onbeschrijflijk. Vanuit een motorbootje op de rivier Beni zijn de meest fantastische vogels te zien. Enorme ooievaarachtige wezens zitten in enorme nesten in de bomen, reigers in alle soorten en maten staan langs de waterkant, herrie makende papegaaien en toekans vliegen over, een capibara staat te snuiven tussen de bomen, als één met de boomstronken wachten aligatoren op de schemering. Het één is nog mooier dan het ander, maar de alles overtreffende trap waren wat ons betreft magische rose wezens: dolfijnen. De nieuwsgierige zoogdieren bevolken de grotere rivieren in het Amazonegebied. Stilletjes voortkabbelend op een bootje zie je de vinnen boven water komen, soms springen de beesten eruit en lijken naar de toeristen te lachen. Ondanks de vele aligators en piraña´s is het een fantastische ervaring om tussen de dolfijnen in het water te duiken, te merken dat ze nieuwsgierig zijn en dichterbij komen, uit het water springend. Om nooit te vergeten. Helaas raakten ze me niet aan, wat ook schijnt voor te komen, maar dit was weer één van die hoogtepunten.




Ook erg mooi is de reis van het torenhoge La Paz naar het op zeeniveau gelegen Rurrenabaque. De bus doet er 20 tot 30 uur over, want geasfalteerde wegen zijn er niet. Wij besloten dik te doun en het vliegtuig te nemen, een adembenemend tochtje van drie kwartier in een 12-persoons propellorvliegtuigje. Geweldig om op te stijgen vanaf vier kilometer hoogte, op de muur Andes te lijken vliegen, vlak langs besneeuwde toppen te scheren om vervolgens het landschap onder je drastisch te zien veranderen. Groener en groener, tot het echt regenwoud is, met hier en daar bruine, meanderende rivieren. Tussendoor af en toe dorpjes met houten huisjes en rieten daken. Het vliegveld van Rurrenabaque is een belevenis op zich. Bij regen kan er geen enkel vliegtuig op de landingsbaan, een lange strook zand uit het oerwoud gehakt, landen. Voor ons betekende dat een dag extra, omdat er geen enkel vliegtuig kon vertrekken. Een dag verplicht uitrusten, lekker eten en biertjes drinken. Heerlijk.

Friday, May 18, 2007

Apies kijken









Je hebt zo van die dingen waarvan je altijd al gedroomd hebt. In mijn geval zitten daar altijd beestendingen bij. Zwemmen met dolfijnen, spelen met aapjes. Dat soort dingen. Sinds deze week kan ik die allebei afvinken. Over de dolfijnen later meer trouwens.





Na de coca-avonturen bij Cochabamba hebben we maar weer eens de hogere regionen opgezocht. De bijna twee miljoen bewoners van de hoogste hoofdstad ter wereld, La Paz en de eraangegroeide bijstad El Alto leven dagelijks op een hoogte van tussen de 3600 en 4100 meter. La Paz ligt in een valei in de uitgestrekte hoogvlakte Altiplano. Toen de ruimte om uit te breiden opraakte, werden de huisjes tegen de steile rotsen aangebouwd tot aan de hoogvlakte, waar ook het vliegveld is. Intussen wonen er rond het vliegveld en tegen de hellingen meer mensen dan in de oorspronkelijke stad. Het is een buitenaards gezicht, vooral ´s nachts. Lopend door La Paz weet je je omgeven door duizenden lichtjes op de zwarte bergen om je heen. Overdag blijken de zwarte bergen sneeuwwitte toppen te hebben en de 6000 meter aan te tikken.










Tachtig kilometer van de hoofdstad, die vooral grijs, Latijns-Amerikaans-modern en smogig is, liggen prachtige vruchtbare valleien. Er gaan zat bussen naar de Yunga´s, maar wij besloten de trip per fiets te doen, zoals de meeste jongere toeristen. De weg waar het circus plaats vindt staat bekend als de gevaarlijkste weg ter wereld. De zand- en stenenpas is inderdaad link als je niet uitkijkt, maar sinds er afgelopen november een nieuwe asfaltweg naast de oude is gelegd is van levensgevaar nauwelijks sprake meer. De oude route is smal. Auto´s kunnen elkaar er niet passeren. De dieptes aan de ene kant bedragen soms 600 meter. Omdat de afdaling door de nevelwouden gaat is door de mist hier en daar amper een hand voor ogen te zien. Maar er komt geen verkeer meer van beneden. Het is nu tachtig kilometer afdalen van 4700 naar 1100 meter. Hard afdalen. De adrenalinekick is vermeldenswaardig, de uitzichten adembenemend. Onderweg moeten verschillende lagen kleren geloosd worden omdat het temperatuurverschil tussen begin en eind van de tocht bijna twintig graden is. Te gek kortom. Jammer om na een paar uur beneden te zijn.



Gelukkig heeft het eind van de fietstocht fantastische verrassingen in petto. De fietsdag wordt afgesloten met een lunch in een opvang voor wilde dieren, gered uit beestachtige mensenhanden. De ouders van de dieren zijn doodgeschoten door jagers of de beesten zijn gered uit kleine huizen of van markten. Wij besloten een paar dagen in één van de ecolodges op het terrein door te brengen om met papegaaien te praten en aapjes te kijken. Dat er net toen wij er waren toevallig een paar dagen een jaguar op bezoek was, steken we mooi in ons zak. Het aaien van het majestueuze dier is een gevoel om nooit te vergeten. Dat veruit de meeste beesten die op het terrein rondwaarden zandvlieg heten en ons volledig lekprikten, zijn we over een jaar of wat al lang weer vergeten. Wij hebben er in aap Sami een vriend voor het leven bij in ieder geval. Hij bracht de dag het liefst door ofwel in Wies´ schoot, ofwel zich stevig vastklampend om mijn nek.