Friday, April 27, 2007

Met een snufje zout

De grens tussen Argentinië en Bolivia is een echte. De douane is gevestigd op een loopbrug, waar veel verkeer is, vooral van Bolivia naar Argentinië. Wij namen hem andersom. Het verschil wordt meteen duidelijk. De overgang van het ´Zuid-Europese´ Argentinië naar het Indiaanse Bolivia is letterlijk dertig meter, maar figuurlijk mijlenver. In het Boliviaanse Villazon draagt de meerderheid van de vrouwen de bekende klederdracht van de Andes. De straten zijn viezer, verharde wegen zijn er niet of nauwelijks, de huizen hebben meer achterstand, de mensen zijn armer. Straatarm vaak. Een groot voordeel is dat er een trein rijdt. Twee keer per week. Wij kopen kaartjes naar het stadje Tupiza, drie uur verderop. Grote stofwolken maken het ademen in de wagon lastig, maar de rit is magnifiek, op grote hoogte door onwerkelijke landschappen. Onderweg staan her en der lemen hutjes, eromheen kromme oudjes en grote families die het land bewerken. Iedereen zwaait enthousiast naar de trein. Wij proberen ons intussen zonder succes voor te stellen hoe het moet zijn om in een van hun lichamen geboren te zijn. Het gat wordt in Tupiza nog gapender. Bejaarde vrouwtjes proberen, leunend op hun stok, koekjes te verkopen om te kunnen overleven. Wij liggen binnen de muren van het hostel aan het zwembad tegen een voor onze begrippen schandalig lage prijs.

Wij gebruiken Tupiza als springplank voor een vierdaagse trip om nooit meer te vergeten. In het Zuid-Westen van Bolivia komen verschillende wonderen der natuur bij elkaar: de grootste en hoogste zoutvlakte ter wereld, de grootste verzameling immens hoge vulkanen, bergen en meren in de meest onwezenlijke kleuren, woestijnen en bizarre rotsformaties. En dat allemaal op een hoogte van ver boven de vier kilometer. Dat laatste heeft ervoor gezorgd dat Wies en ik aan de dope zijn. Om hoogteziekte tegen te gaan kauwden wij fikse hoeveelheden cocabladeren. De geur van het spul dat uit de monden van menig Boliviaan walmt laat zich het best omschrijven als ´dode mus´. Maar het helpt en dat is belangrijker. Vier dagen lang verkeerden wij op een hoogte van tussen de 4500 en 5000 meter. (Ter vergelijk: West-Europa´s hoogste berg de Mont Blanc is 4807 meter) Je moet er bij zijn om te weten wat dat met het menselijk lichaam doet. Plotseling begrijp ik die aanstellerige Braziliaanse en Argentijnse profvoetballers die na een uitwedstrijd tegen Bolivia massaal aan de zuurstof moeten. Na de eerste dag rijden in onze 4X4 worden reisgenoot Chris en ik door twee elfjarige jochies uitgedaagd voor een potje twee tegen twee. Hoogte: 4650 meter. Duur van de wedstrijd: twee minuten. Chris en ik zakken in elkaar, naar lucht happend, onszelf vasthoudend tegen de duizelingen. De jochies lachen zich een ongeluk en spelen de wedstrijd professioneel uit. Wij kunnen alleen de eer redden door met een technologisch wonder op de proppen te komen: een digitale camera, een wonderdoosje dat plaatjes van onbekende plekken laat zien, plekken waar veel van de chico´s en chica´s nooit zullen komen. De nachten zijn koud op deze altitudes. De eerst zo overdreven lijkende vijflaagse dekenset, blijkt het minimale vereiste om warm te blijven. De volgende morgen doet de Jeep ook dienst als ijsbreker. Toch is er nergens sneeuw te bekennen. Vreemd voor Europeanen, die gewend zijn vanaf een kilometer of drie hoogte her en der wel sneeuwveldjes te zien. Niet hier. Sneeuw is alleen te zien op de toppen boven de 6000 meter, die overal rond ons heen te zien zijn.
Het landschap is vier dagen lang onwerkelijk. Bergen hebben de vreemdste kleuren omdat ze voor een groot deel bestaan uit ijzererts en zwavel. Het landschap is vergeven van de kilometershoge vulkanen, die op de hoogvlaktes duizenden brokken lavagesteente hebben achtergelaten. Meren zijn er in de vreemdste kleuren, vanwege de mineralen die er te vinden zijn. Vele hebben een witte laag rondom. In het ene meer is dat zout, een paar kilometer verderop zijn het fosfaten en weer ergens anders is het witte spul bromide. Een puur turquoise lagune dankt zijn kleur aan grote hoeveelheden arseen. De vuurrode Laguna Colorada aan een algensoort, die alleen op deze hoogte (4800 meter) rood kleurt. Er zijn ook zwarte, witte, groene en blauwe meren, allemaal getekend door mineralen. En in elk van hen grote groepen sierlijke flamengo´s.
Alsof dat alles nog niet genoeg stof tot napraten oplevert, stuiten we de derde dag op nieuwe wonderen: geisers. Het is dezelfde dag dat we de grens van 5000 meter even passeren, de mondhoeken vol cocabladeren. En nog lijkt het landschap op een dal, vanwaar de bergen beginnen. Lama´s lopen in grote hoeveelheden door de woestijnachtige gebieden, roofvogels cirkelen boven de rotsen. En dan dat maanlandschap. Uit kraters stijgen vreemde geluiden en dampen op. De geisers maken een ongelooflijk kabaal. Gloeiend hete damp fluit met hevige kracht uit het vulkanische gesteente. Poelen in de kraters doen denken aan fantasiefilms. Bellen vormen zich in de hete modder, compleet met onsmakelijke geluiden. De geur van rotte eieren is overal in de rookwolken dankzij de ontsnappende zwavel. Onwerkelijk. Alweer.
En dan moet het hoogtepunt van de trip nog komen. De echte trekpleister in dit deel van Bolivia is de Salar de Uyuni. Het is een immense zoutvlakte, ter grootte van een derde van Nederland. Voordat de continenten zich vormden was hier de oceaan. De oerzee heeft een zoutlaag van ruim acht meter achtergelaten. De vlakte ligt nu op een hoogte van 3600 meter, temidden van reusachtige bergtoppen. Die zijn vanaf het midden van de zoutvlakte te zien, zestig kilometer verderop. Door de luchtspiegelingen lijken de bergen te drijven op de zoutlaag. De laag is zo wit dat zelfs de lama´s die over de salar trekken, zonnebrillen dragen ter bescherming van hun ogen. Het is net een sprookje. De Jeeps die over de vlakte kruisen, lijken door het immense wit op speelgoed. Soms heb je het idee dat je over een ijsvlakte rijdt, bedekt met een laag sneeuw. De angst om er doorheen te zakken is er zelfs voor een moment. Even later denk je toch dat het zand is. Het wit is oneindig. Soms is niet te zeggen waar de aarde overgaat in lucht. Een eiland midden in de zoutvlakte is van fossiel koraal. De top van het eilandje geeft een fantastisch uitzicht over het zout dat zich aan alle kanten tot de horizon uitstrekt. Op het koraaleiland staan cactussen, soms honderden jaren oud. (Gids Milton weet dat de planten een centimeter per jaar groeien). Hij weet ook dat je met zulke grote witte vlaktes ongelooflijk geinige foto´s kunt maken. Daar doen wij graag aan mee, want op zoveel zout is niets flauw.




Friday, April 20, 2007

Prikkelende bergen

Het Noordwesten van Argentinië is totaal anders dan de rest van dit uitgestrekte land. We vieren vandaag onze laatste dag hier voordat we de grens met Bolivia passeren in het bergdorp Tilcara, ruwweg 5000 kilometer van Rio Gallegos, de zuidelijkste plaats die we bezochten. Een nieuwe wereld is het. Van de Spaans-Italiaans ogende bevolking is niets meer te zien. In dit flinke dorp, op een hoogte van 2500 meter, leven alleen mensen die afstammen van de oorspronkelijke bevolking van dit gebied, hier en daar inclusief bonte klederdracht en hoedjes. We verruilen het nieuwe Latijns-Amerika voor het oude. En het gevoel is ook echt anders. De mensen zijn vriendelijker, spreken een ander soort Spaans en zijn gemiddeld armer. Het gros van de huizen wordt gebouwd met blokken samengeperste plantenresten en modder, al dan niet later voorzien van een kalken façade. De bouwmaterialen worden rond het dorp gevonden. Stenen worden uit de rivierbedding gehaald, met karren tegelijk, om muurtjes te bouwen. Het is een verademing na alle semi-Europese steden (Buenos Aires, Cordoba, Mendoza) die we bezochten. Prachtig allemaal, maar dit is meer waarvoor we gekomen zijn, beseffen we meer en meer. De natuur is ronduit spectaculair. De bergen rondom Tilcara hebben alle kleuren van de regenboog (van zachtgroen tot paarsrose). Scherpe canyons wisselen groene oases af. Levensgrote cactussen, bezaaid over berghellingen prikkelen de zintuigen, een berg ertegenover ziet eruit alsof er een zacht groen dekbed over ligt. Het is op het midden van de dag drukkend warm en meteen nadat de zon achter de bergen verdwenen is truien-aan-fris.


Dit is het armste deel van Argentinië. De provincie (Jujuy) is vergeten door de hoofdstad. Al decennia lang. Toch zijn de mensen vrolijker en is er meer hoop op hun gezichten te lezen dan in menig andere Argentijnse plaats.

Zoals Salta bijvoorbeeld, de backpackers-must waar we een paar dagen geleden waren. Prachtige koloniale architectuur, grootse plaza´s en gebouwen, maar het mist wat ons betreft alle charme die het dorpje Tilcara wel heeft. Er ligt een doevig laagje over Salta, dat zich ook niet bepaald mocht verheugen in een grote belangstelling van de regering. In Salta is veel armoede te zien, maar zo mogelijk nog meer toeristen, benijdend nagekeken door de behoeftigen. Salta is raar. Het lijkt een stad vol mensen die eigenlijk op het platteland hadden moeten leven. De meeste jonge reizigers lijken er vooral te komen voor de feesten die er de hele nacht doorgaan. Dat mag, maar ze missen het Salta bij daglicht. Bovendien komen die eikels ´s morgens vroeg het hostel binnengestampt, schreeuwend en slaand op deuren. Achter één daarvan probeerden wij nou juist wat slaap te krijgen. Weinig slaap vertroebelt de blik. Ook op Salta, zo eerlijk zijn we ook wel. In elke reisgids staat het beschreven als de mooiste stad van het land, dus daar zal dan wel een kern van waarheid inzitten. Als je in een goed hotel zit.

Wednesday, April 18, 2007

Een beetje water

Dan zit je zo eens wat te wikken en wegen. Dat watervalletje daar in het uiterste noordoosten van Argentinië schijnt wel aardig te zijn. Maar is het de moeite waard om daarvoor vanaf Cordoba ruim een etmaal in een bus te gaan zitten? Om vervolgens na het water gezien te hebben nog eens bijna dertig uur naar Salta, de stad die eigenlijk op het programma stond, te overbruggen? Ja dus. Euforie alom. Het mooiste en meest indrukwekkende natuurspektakel dat wij ooit zagen. De watervallen van Iguazú, op het drielandenpunt van Argentinië, Brazilië en Paraguay zijn de grootste op het Amerikaanse continent. De Iguazúrivier stroomt vanuit Brazilië in een enorme trechter, ´Het oog van de duivel´. Over een breedte van vele kilometers zijn ongelooflijke watervallen aaneengeschakeld tot één bruut natuurwonder. Het water stort met hels kabaal ruim 170 meter de diepte in. Van kilometers afstand is boven de jungle een witte ´rookpluim´te zien. Dat is de dampwolk die zich boven het geweld vormt. Waar het water terecht komt is vanwege diezelfde damp niet te zien. Vanuit alle hoeken vormen regenbogen. Zeiknat worden de bezoekers, die op platforms toch soms tientallen meters van de watervallen staan. Rond de enorme waterspektakels zijn grote tropische parken. Aan de Argentijnse kant lijden voetpaden de bezoekers tot vlak bij de afzonderlijke cataracas, waar converseren schier onmogelijk is en stilte beter past. Door de jungle ook, die vooral het domein van de meest kleurrijke vlinders is. Miereneters, felgekleurde kanaries en andere tropische vogels zijn er ook te vinden. Je kunt er zelfs niet omheen. Aan de Brazilaanse zijde, die we een dag later in de hitte onder een azuurblauwe hemel bezochten, lopen, rennen en vliegen dezelfde beesten, maar de watervallen zijn zo mogelijk nog imposanter. Van een iets grotere afstand en vanuit een iets betere hoek zijn vrijwel alle naast elkaar gelegen watervallen zichtbaar. En hoorbaar. Je kunt maar niet stoppen met je af te vragen waar al dat water toch vandaan komt. (De rivier begint overigens in de bergen bij de Braziliaanse stad Guaraní).
Ja, het zien van dit natuurschoon is een omweg van zo´n vijftig uur waard, ookal regent het op de eerste ochtend pijpenstelen. Voor honderd uur hadden we het ook gedaan.
















Monday, April 16, 2007

Cordoba, het Groningen van Argentinië

De tweede stad van Argentinië heeft ongeveer een tiende van het aantal inwoners van Buenos Aires. Cordoba is kortom een flinke stad, met ruim anderhalf miljoen inwoners. Het leuke aan de historische, door Jezuïeten vormgegeven stad in het midden van het land, is dat het een ´Groningen-achtig´, intiem karakter heeft. Dat komt natuurlijk vooral door de bevolking, die ook in Cordoba voor een fiks deel uit studenten bestaat. De twee universiteiten in de stad zijn de oudste van het land en hebben prachtige zeventiende-eeuwse faculteiten in het centrum. Cordoba is ook de eerste stad die wij bezochten met een mooie oude stadskern. Buenos Aires heeft het matige, door ronkende en rokende bussen gedomineerde Plaza de Mayo, Mendoza is eind negentiende eeuw door een aardbeving met de grond gelijk gemaakt. In Cordoba is pracht en praal. De kathedraal is de oudste van het land, de kerken en kloosters eromheen in de jezuïtische buurt zijn prachtig en verrassend goed onderhouden. Een uitgelezen plek kortom om eens wat meer dagen door te brengen. In ons geval werden dat er tien, omdat we besloten dat het af en toe van pas zou komen om mensen te kunnen begrijpen en meer dan ´no entiendo´terug te kunnen zeggen. (Glimlachen en ´si´ knikken lag reeds achter ons). Nosotros aprendamos español en esa ciudad. Een leerzame week kortom, die we -om het helemaal af te maken- in een Argentijns studentenhuis doorbrachten. Nu weten bekenden dat ik qua hygiëne wel iets gewend ben (er ging een vuilniszakje of twintig uit mijn studentenkamer voordat Wies zich bereid verklaarde daarin te trekken), maar wat onze ´huisgenoten´ daar dagelijks presteerden is waarlijk een kunst. Vooral met inachtneming dat de één advocaat is en de ander gelauwerd wetenschapper. In het bad lag een laag -naar wij aannamen- zand, in de keuken gaf het aanraken van alle kastjes eenzelfde gevoel aan de vingers als het uitsmeren van haargel. Het heeft een paar keer niets gescheeld of we hadden onze biezen gepakt en naar een hostel gevlucht. De enige manier om dat te voorkomen bleek voor de -toch ook niet in ziekelijke mate aan smetvrees lijdende Wies- om zelf maar een grote schoonmaakbeurt te houden. Dat kon gemakkelijk daar geachte huisgenoten de gehele dag aan het werk waren, c.q. daarvoor betaald werden. Weggaan was namelijk ook niet onverdeeld voordelig. In dat geval hadden we de tango-avond, de barbecue en de voetbalwedstrijden, allemaal essentieel uiteraard, moeten missen. We besloten keer op keer te blijven, niet in de laatste plaats vanwege de schattige onbeholpenheid van advocaat Carlos (Charly voor intimi).

Een van de grootste voordelen van het wonen in dit smerige huis, waren de constante bezoeken van Spaanssprekende vrinden, die best bereid waren in hun eigen taal met ons te converseren. Bovendien bleek Charly een vriendje te hebben dat van bergen houdt. Hij nam ons in het Paasweekend mee naar de nabijgelegen sierra´s voor de zoveelste fijne bergwandeling. En het was er weer een om in te lijsten. Net als ons diploma Spaans trouwens. Dat was bepaald geen weggegooid geld. Na die heftige cursus (acht dagen lang, vier uur per dag) gebeurden heel vreemde dingen. Een paar voorbeelden. Je loopt op het station en begrijpt waar het mannetje van de radio het over heeft. Je moet ergens heen, weet een vraag te stellen die een local begrijpt en snapt diens uitleg ook nog eens! Er is kortom een wereld opengegaan. Die wereld is op dit moment overigens enorm uitgebreid. We hebben de afgelopen dagen namelijk het grootste natuurwonder meegepakt dat we ooit gezien hebben. Het speelt zich af op het drielandenpunt van Argentinië, Brazilië en Paraguay. Daarover binnen een paar dagen meer, want der bus naar volgende stop Salta, in het uiterste noordwesten van het land wacht. De laatste stop voor de grensovergang met Bolivia. Is dat geen fijne clifhanger? Welnu, omdat Wies en ik geen fans zijn van Goede Tijden Slechte Tijden, noch van Dan Brown, geef ik toch vast een voorproefje. Later meer.

Tuesday, April 3, 2007

O jee, Chiloë


Na vliegtuigen, boten, fietsen, bussen en taxi´s heb je wel eens zin in een ander vervoermiddel, een apparaat dat je de vrijheid geeft te stoppen waar en wanneer je wil, maar waarmee je toch aanzienlijke afstanden kunt overbruggen. Inderdaad, gedurende drie dagen tussen ons verblijf in Bariloche huurden wij een auto. Voor ons geen ordinaire Opel. Neen. Wij krijgen een heuse Chevrolet Corsa. Doel: het Chileense eiland Chiloë, zo´n 500 kilometer verderop. Een prachtige rit, mag je zeggen. Om Chili te bereiken moeten de Andes immers overgestoken worden. Langs de ellenlange pas waar wij dat deden, was dat een reisje door een vulkaanlandschap. De lavaspuwers (weliswaar in ruste) lijken maar niet op te houden. De ene nog hoger dan de andere, afgewisseld door diepe, blauwe meren en fijne watervallen. Dan geeft het niets om acht uur op een dag aan het stuur te trekken. Om het ´mythische eiland´ te bereiken is daarenboven een overtocht van een half uur nodig. Onderweg schijnen regelmatig dolfijnen mee te zwemmen, maar dat geluk ontbrak ons. Een escadron pelikanen is hoe dan ook meer dan een goedmakertje.



Chiloë is een gek eiland. Het is niet veel kleiner dan Nederland, maar er wonen ongeveer zoveel mensen als in Stad. De natuur is prachtig, de cultuur apart, de gebouwen zijn van niets anders dan hout in elkaar gezet, de geschiedenis is spectaculair. De eilanders bleven verstoken van Inca-invloed en lange tijd ook van Spaanse bemoeienis. Dat heeft een kenmerende eigen aard opgeleverd (en veel inteelt zo te zien). Prachtig allemaal, maar er is op Chiloë de laatste jaren iets grondig mis gegaan. De sfeer is droevig. In onze reisgids (uitgave 2007) staat in de meest overweldigende bewoordingen beschreven wat het eiland zo bijzonder maakt en in welke restaurants goed, beter en best gegeten kan worden. Driekwart van die etablissementen is nu gesloten, half afgebroken, vergaan. De bewoners lopen verdwaald rond. Vooral in de grootste stad Ancud zijn bij wijze van spreken meer bezopen dan nuchtere mensen te vinden. Alleen in de kleinere vissersdorpen is het vrolijkheid troef. Moeders en dochters koken er samen op een soort marktje de beste lunches. Mannen vissen ouderwets in hun knalgele bootjes. Scholieren krijgen tekenles vanaf een pier. Het uitzicht dat zij op deze schooldag in kleur moeten vatten is jaloersmakend. Het verschil met Argentinië is enorm. Veel toeristen blijven weg uit Chili vanwege de hoge prijzen. Een driegangenmaaltijd kost er al snel tien euro, terwijl in buurland Argentinië met een kwart van dat bedag volstaan kan worden. De gunstige prijzen de laatste jaren bij de buren, kunnen Chiloë weleens de das om gedaan hebben. De ervaring is hoe dan ook interessant. Het zet de mens aan andere ogen op te zetten en nog meer de immense vergezichten van heuvels, baaien en de witte toppen van de Andes, honderd kilometer verderop in zich op te nemen. Chiloë is een bizarre ervaring, die we niet graag hadden willen missen. De reis door de Andes evenmin trouwens.
De Corsa is inmiddels al lang weer ingeleverd. We zijn weer eens de bus ingeklommen, dit keer voor een reis van twintig uur naar wijnhoofdstad Mendoza. Dan kun je onderweg onverwachte dingen tegenkomen. Zoals een wegversperring door boze leraren. En wij dachten dat alleen Franse vrachtwagenchauffeurs het edele vak van wegversperren nog kenden. Er zit dan niets anders op dan een paar uur wachten totdat de levende obstakels hun biezen pakken. De stakers hebben een goed punt trouwens. Hun provincie Nequén is rijk vanwege de olieopbrengsten, maar het onderwijs profiteert daar geenszins van. Een van de leraressen (lerares Engels uiteraard) vertelt dat ze ´s winters de school vaak moet sluiten omdat de energierekening niet betaald kan worden.


Zo´n wachttijd is voor zo´n goede reden niet zo erg. Er is bovendien van alles te zien, zoals een fikse slang, die alle aandacht opeist, totdat een IJslands wicht bedenkt dat ze ernstig tekort komt en besluit pal naast de vindplek van de slang te gaan zitten. Ze is geslaagd in haar opzet om de attentie van vrouwenvleesminners te vatten, al wil Wies zich bij deze van harte distantiëren van mijn mening dat IJslandse een goed gevoel voor vermaak heeft...



We hebben Mendoza overigens zonder verdere vleselijke obstakels bereikt. De wijn smaakt er uitmuntend. Op elk moment van de dag.